Vertaling door
Dr. T. M. P. Mahadevan
uit het originele Tamil.
Uitgegeven door
V. S. Ramanan
PRESIDENT,BOARD OF TRUSTEES
SRI RAMANAASHRAM
TIRUVANNAMALAI
Bewerkt naar Nederlands met door: Guri de Blok
Extra toevoeging van uitleg Sanskriet termen en context informatie
Inleiding
“Wie ben ik?” is de titel van een reeks vragen en antwoorden over Zelfonderzoek. De vragen werden gesteld aan Bhagavan Sri Ramana Maharshi door Sri M. Sivaprakasam Pillai, rond het jaar 1902.
Sri Pillai, afgestudeerd in filosofie, was toen werkzaam bij de belastingdienst van het South Arcot District.
Tijdens een bezoek aan Tiruvannamalai in 1902 voor zijn werk, ging hij naar de Virupaksha-grot op de Arunachala-heuvel en ontmoette daar de Meester. Hij zocht spirituele leiding en stelde vragen over Zelfonderzoek. Omdat Bhagavan toen niet sprak – niet vanwege een gelofte, maar omdat hij geen neiging had om te spreken – beantwoordde hij de vragen met gebaren, en wanneer die niet werden begrepen, door ze op te schrijven.
Volgens de herinneringen en aantekeningen van Sri Sivaprakasam Pillai waren er veertien vragen met antwoorden van Bhagavan. Dit verslag werd voor het eerst gepubliceerd door Sri Pillai in 1923, samen met een paar gedichten die hij zelf schreef over hoe Bhagavan’s genade in zijn leven werkte door zijn twijfels weg te nemen en hem uit een levenscrisis te redden.
“Wie ben ik?” is sindsdien meerdere keren herdrukt. In sommige edities vinden we dertig vragen en antwoorden, in andere achtentwintig. Er is ook een gepubliceerde versie waarin de vragen niet zijn opgenomen en de leringen zijn herschikt in de vorm van een essay. De bestaande Engelse vertaling is van dit essay. De huidige weergave is van de tekst in de vorm van achtentwintig vragen en antwoorden.
Samen met Vicharasangraham (Zelfonderzoek) vormt Nan Yar (Wie ben ik?) de eerste set instructies in de eigen woorden van de Meester. Deze twee zijn de enige prozastukken onder Bhagavan’s werken. Ze leggen duidelijk de centrale leer uit dat de directe weg naar bevrijding Zelfonderzoek is.
De specifieke wijze waarop het onderzoek moet worden uitgevoerd, wordt helder uiteengezet in Nan Yar. De geest bestaat uit gedachten. De ‘ik’-gedachte is de eerste die in de geest opkomt. Wanneer het onderzoek ‘Wie ben ik?’ volhardend wordt voortgezet, worden alle andere gedachten vernietigd, en uiteindelijk verdwijnt ook de ‘ik’-gedachte zelf, waardoor het opperste niet-duale Zelf overblijft. De valse identificatie van het Zelf met niet-zelf-fenomenen zoals het lichaam en de geest eindigt zo, en er ontstaat verlichting, Sakshatkara.
Het proces van onderzoek is overigens niet eenvoudig. Terwijl men vraagt ‘Wie ben ik?’, zullen andere gedachten opkomen; maar wanneer deze opkomen, moet men ze niet volgen, maar in plaats daarvan vragen: ‘Voor wie komen ze op?’ Om dit te doen, moet men uiterst waakzaam zijn. Door constant onderzoek moet men de geest in haar bron houden, zonder haar te laten dwalen en verdwalen in het doolhof van gedachten dat zij zelf creëert. Alle andere disciplines, zoals ademhalingscontrole en meditatie op de vormen van God, moeten worden beschouwd als hulpmiddelen. Zij zijn nuttig voor zover zij de geest helpen om rustig en gefocussed te worden.
Voor de geest die vaardig is geworden in concentratie, wordt Zelfonderzoek relatief eenvoudig. Het is door onophoudelijk onderzoek dat de gedachten worden vernietigd en het Zelf wordt gerealiseerd – de volle Werkelijkheid waarin zelfs de ‘ik’-gedachte niet meer bestaat, de ervaring die ‘Stilte’ wordt genoemd. Dit, in essentie, is de leer van Bhagavan Sri Ramana Maharshi in Nan Yar (Wie ben ik?).
Universiteit van Madras – 30 juni 1982 Om Namo Bhagavathe Sri Ramanaya
Wie ben ik? (Nan Yar?)
Alle levende wezens willen altijd gelukkig zijn, zonder ellende. Bij iedereen wordt een opperste liefde voor zichzelf waargenomen en geluk is de enige oorzaak van liefde. Om dat geluk dat onze natuur is – dat we ervaren in de toestand van diepe slaap, waarin er geen geest is – te verwerven moet men zichzelf kennen. Daarvoor is de weg van kennis, het onderzoek in de vorm van “Wie ben ik?“, het belangrijkste middel.
1. Wie ben ik?
Ik ben niet het grove lichaam, dat bestaat uit de zeven lichaamssappen (dhatus)*; ik ben niet de vijf zintuigen die waarnemen: horen, voelen, zien, proeven en ruiken; ik ben niet de vijf werkzintuigen: spreken, bewegen, grijpen, uitscheiden en voortplanten; ik ben niet de vijf levensenergieën (prana, enz.**), die de functies van inademen enzovoort uitvoeren; ik ben niet de geest die denkt; ik ben ook niet de onwetendheid, die alleen restindrukken van objecten bevat en waarin geen objecten en geen activiteiten zijn.
2. Als ik geen van deze dingen ben, wie ben ik dan?
Na alles hierboven te hebben ontkend met (Neti-Neti) ‘niet dit’, ‘niet dit’, blijft alleen dat Bewustzijn over – dat ben ik.
3. Wat is de aard van Bewustzijn?
De aard van Bewustzijn is (Sat Chit Ananda)* zijn-weten-gelukzaligheid.
4. Wanneer zal de realisatie van het Zelf worden bereikt?
Wanneer de wereld, die het waargenomene is, verdwijnt, zal het Zelf, dat de waarnemer is, gerealiseerd worden.
5. Is er geen realisatie van het Zelf zolang de wereld als reëel wordt beschouwd?
Nee, dat is er niet.
6. Waarom niet?
De waarnemer en het waargenomene zijn als het touw en de slang. Net zoals de kennis van het touw, dat de onderliggende werkelijkheid is, niet ontstaat zolang men gelooft in de illusoire slang, zo zal de realisatie van het Zelf, dat de onderliggende werkelijkheid is, niet bereikt worden zolang men gelooft dat de wereld reëel is.
7. Wanneer zal de wereld, die het waargenomene is, verdwijnen?
Wanneer de geest, die de oorzaak is van alle waarnemingen en handelingen, tot rust komt, zal de wereld verdwijnen.
8. Wat is de aard van de geest?
Wat ‘geest’ wordt genoemd, is een wonderbaarlijke kracht die in het Zelf resideert. Zij doet alle gedachten ontstaan. Afgezien van gedachten is er niet zoiets als geest. Daarom is de essentie van de geest: gedachte. Afgezien van gedachten is er geen onafhankelijke entiteit die ‘wereld’ wordt genoemd. In diepe slaap zijn er geen gedachten en is er geen wereld. In de toestanden van wakker zijn en dromen zijn er gedachten en is er ook een wereld.
Net zoals de spin de draad (van het web) uit zichzelf voortbrengt en weer in zichzelf terugtrekt, zo projecteert de geest de wereld uit zichzelf en lost deze weer in zichzelf op. Wanneer de geest uit het Zelf tevoorschijn komt, verschijnt de wereld. Daarom: wanneer de wereld (als reëel) verschijnt, verschijnt het Zelf niet; en wanneer het Zelf (schijnt), verschijnt de wereld niet.
Wanneer men volhardend onderzoekt wat de aard van de geest is, zal de geest ophouden en alleen het Zelf overblijven. Wat het Zelf wordt genoemd, is Atman. De geest bestaat altijd alleen in afhankelijkheid van iets grofs; zij kan niet alleen bestaan. Het is de geest die het subtiele lichaam of de ziel (jiva) wordt genoemd.
9. Wat is de weg van onderzoek om de aard van de geest te begrijpen?
Dat wat opkomt als ‘ik’ in dit lichaam, is de geest. Als men onderzoekt waar in het lichaam de gedachte ‘ik’ als eerste opkomt, zal men ontdekken dat deze in het hart opkomt. Dat is de plaats van oorsprong van de geest. Zelfs als men voortdurend ‘ik’, ‘ik’ denkt, zal men naar die plaats worden geleid. Van alle gedachten die in de geest opkomen, is de ‘ik’-gedachte de eerste. Pas na het opkomen van deze gedachte komen de andere gedachten. Pas na het verschijnen van de eerste persoon (ik) verschijnen de tweede (jij) en derde persoon (hij/zij); zonder de eerste persoon zijn er geen tweede en derde persoon.
10. Hoe wordt de geest tot rust gebracht?
Door de vraag ‘Wie ben ik?‘. De gedachte ‘Wie ben ik?‘ zal alle andere gedachten vernietigen en, zoals de stok die wordt gebruikt om het vuur op te stoken, zal zij uiteindelijk zelf vernietigd worden. Dan zal Zelfrealisatie ontstaan.
11. Wat is het middel om voortdurend vast te houden aan de gedachte ‘Wie ben ik?’
Wanneer andere gedachten opkomen, moet men deze niet volgen, maar vragen: ‘Voor wie komen zij op?’ Het doet er niet toe hoeveel gedachten opkomen. Bij elke gedachte die opkomt, moet men ijverig vragen: ‘Voor wie is deze gedachte opgekomen?’ Het antwoord zal zijn: ‘Voor mij.’
Vervolgens, als men vraagt ‘Wie ben ik?’, zal de geest terugkeren naar haar bron en zal de opgekomen gedachte tot rust komen.
Met herhaalde oefening op deze manier zal de geest de vaardigheid ontwikkelen om in haar bron te blijven.
Wanneer de subtiele geest via de hersenen en de zintuigen naar buiten gaat, verschijnen de grove namen en vormen; wanneer zij in het hart blijft, verdwijnen de namen en vormen. De geest niet naar buiten laten gaan, maar haar in het Hart houden, wordt ‘inwendigheid’ (antar-mukha) genoemd. Het toestaan dat de geest uit het Hart gaat, wordt ‘uitwendigheid’ (bahir-mukha) genoemd.
Zo zal, wanneer de geest in het Hart blijft, het ‘ik’ dat de bron is van alle gedachten verdwijnen, en zal het Zelf, dat altijd bestaat, schijnen. Wat men ook doet, men moet het doen zonder het ego ‘ik’. Als men zo handelt, zal alles verschijnen als van de aard van Shiva (God).
12. Zijn er geen andere middelen om de geest tot rust te brengen?
Naast onderzoek zijn er geen adequate middelen. Als men via andere middelen probeert de geest te beheersen, zal de geest schijnbaar beheerst zijn, maar zal zij weer naar buiten gaan.
Ook door controle van de adem zal de geest tot rust komen; maar zij zal alleen tot rust zijn zolang de adem gecontroleerd wordt, en wanneer de adem weer normaal wordt, zal de geest weer gaan dwalen, gedreven door restindrukken.
De bron is hetzelfde voor zowel geest als adem. Gedachte is inderdaad de aard van de geest. De gedachte ‘ik’ is de eerste gedachte van de geest; en dat is het ego. Het is vanuit dezelfde bron waar het ego ontstaat, dat ook de adem ontstaat.
Daarom: wanneer de geest tot rust komt, wordt de adem gecontroleerd, en wanneer de adem gecontroleerd wordt, komt de geest tot rust. Maar in diepe slaap, hoewel de geest tot rust komt, stopt de adem niet. Dit is door de wil van God, opdat het lichaam behouden blijft en anderen niet denken dat het dood is.
In de toestand van wakker zijn en in samadhi*, wanneer de geest tot rust komt, wordt de adem gecontroleerd. Adem is de grove vorm van de geest. Tot het moment van de dood houdt de geest de adem in het lichaam; en wanneer het lichaam sterft, neemt de geest de adem mee. Daarom is ademhalingscontrole slechts een hulpmiddel om de geest tot rust te brengen (manonigraha); het zal de geest niet vernietigen (manonasa).
Net als ademhalingscontrole zijn meditatie op de vormen van God, het herhalen van mantra’s, voedselbeperking, enzovoort, slechts hulpmiddelen om de geest tot rust te brengen. Door meditatie op de vormen van God en door het herhalen van mantra’s wordt de geest geconcentreerd. De geest zal altijd dwalen. Net zoals een olifant, wanneer hem een ketting wordt gegeven om vast te houden met zijn slurf, alleen die ketting zal vasthouden en niets anders, zo zal ook de geest, wanneer zij bezig is met een naam of vorm, alleen dat vasthouden.
Wanneer de geest zich uitbreidt in de vorm van talloze gedachten, wordt elke gedachte zwak; maar naarmate gedachten oplossen, wordt de geest eenpuntig en sterk; voor zo’n geest zal Zelfonderzoek gemakkelijk worden. Van alle beperkende regels is die met betrekking tot het nemen van sattvisch** voedsel in gematigde hoeveelheden de beste; door deze regel te volgen, zal de sattvische kwaliteit van de geest toenemen, en dat zal helpen bij Zelfonderzoek.
13. De restindrukken (gedachten) van objecten komen op als golven in een oceaan. Wanneer zullen zij allemaal vernietigd worden?
Naarmate de meditatie op het Zelf hoger en hoger stijgt, zullen de gedachten vernietigd worden.
14. Is het mogelijk dat de restindrukken van objecten, die schijnbaar vanaf het begin der tijden bestaan, opgelost worden, en dat men als het pure Zelf kan blijven?
Zonder toe te geven aan de twijfel ‘Is het mogelijk of niet?’, moet men volhardend vasthouden aan de meditatie op het Zelf. Zelfs als men een grote zondaar is, moet men zich geen zorgen maken en huilen: ‘O! Ik ben een zondaar, hoe kan ik gered worden?’; men moet de gedachte ‘ik ben een zondaar’ volledig opgeven en zich scherp concentreren op meditatie over het Zelf; dan zal men zeker slagen. Er zijn niet twee geesten – een goede en een slechte; de geest is er maar één. Het zijn de restindrukken die van twee soorten zijn – gunstig en ongunstig. Wanneer de geest onder invloed is van gunstige indrukken, wordt zij goed genoemd; en wanneer zij onder invloed is van ongunstige indrukken, wordt zij als slecht beschouwd.
De geest mag niet worden toegestaan om te dwalen naar wereldse objecten en wat anderen betreft. Hoe slecht anderen ook mogen zijn, men moet geen haat voor hen koesteren. Beide, begeerte en haat, moeten worden vermeden. Alles wat men aan anderen geeft, geeft men aan zichzelf. Als deze waarheid wordt begrepen, wie zou dan niet aan anderen geven? Wanneer het zelf opkomt, komt alles op; wanneer het zelf tot rust komt, komt alles tot rust. Naarmate wij ons nederig gedragen, zal er evenveel goed voortkomen. Als de geest tot rust wordt gebracht, kan men overal leven.
15. Hoelang moet onderzoek worden beoefend?
Zolang er indrukken van objecten in de geest zijn, is het onderzoek ‘Wie ben ik?‘ nodig. Naarmate gedachten opkomen, moeten zij ter plaatse, in hun oorsprong, vernietigd worden door onderzoek. Als men ononderbroken tot het Zelf is gekomen, is dat voldoende. Zolang er vijanden in het fort zijn, zullen zij naar buiten blijven komen; als zij vernietigd worden wanneer zij verschijnen, zal het fort in onze handen vallen.
16. Wat is de aard van het Zelf?
Wat in waarheid bestaat, is alleen het Zelf. De wereld, de individuele ziel en God zijn verschijningen daarin. Net zoals zilver in parelmoer, verschijnen en verdwijnen deze drie tegelijkertijd. Het Zelf is dat waarin absoluut geen ‘ik’-gedachte is. Dat wordt ‘Stilte’ genoemd. Het Zelf zelf is de wereld; het Zelf zelf is ‘ik’; het Zelf zelf is God; alles is Shiva, het Zelf.
17. Is niet alles het werk van God?
Zonder verlangen, besluit of inspanning gaat de zon op; en in zijn loutere aanwezigheid straalt de zon, bloeit de lotus, verdampt water; mensen verrichten hun verschillende functies en rusten dan. Net zoals de naald beweegt in de aanwezigheid van de magneet, is het door de loutere aanwezigheid van God dat de zielen, geregeerd door de drie (kosmische) functies* of de vijfvoudige** goddelijke activiteit, hun acties verrichten en dan rusten, volgens hun respectievelijke karma’s. God heeft geen besluit; geen karma hecht zich aan Hem. Dat is zoals wereldse acties de zon niet beïnvloeden, of zoals de verdiensten en tekortkomingen van de andere vier elementen*** de alomtegenwoordige ruimte niet beïnvloeden.
18. Wie is van de devotees de grootste?
Hij die zich overgeeft aan het Zelf, dat God is, is de meest uitstekende devotee. Zich overgeven aan God betekent constant in het Zelf blijven zonder ruimte te laten voor het opkomen van enige andere gedachten dan die van het Zelf. Welke lasten ook op God worden geworpen, Hij draagt ze. Aangezien de opperste kracht van God alles doet bewegen, waarom zouden wij, zonder ons aan Hem over te geven, ons constant zorgen maken met gedachten over wat gedaan moet worden en hoe, en wat niet gedaan moet worden en hoe niet? Wij weten dat de trein alle lasten draagt, dus waarom zouden wij, nadat wij erin zijn gestapt, ons kleine bagage op ons hoofd dragen tot ons ongemak, in plaats van het in de trein neer te leggen en ons op ons gemak te voelen?
19. Wat is onthechting?
Het volledig vernietigen van gedachten, zonder enige rest, op de plaats van hun oorsprong, is onthechting. Net zoals de parelduiker een steen aan zijn middel bindt, naar de bodem van de zee zinkt en daar de parels neemt, zo moet elk van ons met onthechting zijn toegerust, in zichzelf duiken en de Zelf-Parel verkrijgen.
20. Kan God of de Goeroe de bevrijding van een ziel niet bewerkstelligen?
God en de Goeroe zullen alleen de weg naar bevrijding tonen; zij zullen de ziel niet zelf naar de staat van bevrijding brengen. In waarheid zijn God en de Goeroe niet verschillend. Net zoals de prooi die in de kaken van een tijger is gevallen geen ontsnapping heeft, zo zullen zij die binnen het bereik van de genadige blik van de Goeroe zijn gekomen, door de Goeroe gered worden en niet verloren gaan; toch moet ieder door eigen inspanning de weg volgen die door God of Goeroe is getoond en bevrijding verkrijgen. Men kan zichzelf alleen kennen met het eigen oog van kennis, en niet met dat van een ander. Heeft hij die Rama is een spiegel nodig om te weten dat hij Rama is?
21. Is het nodig voor iemand die naar bevrijding verlangt om de aard van de categorieën (tattvas) te onderzoeken?
Net zoals iemand die afval wil weggooien het niet hoeft te analyseren en te zien wat het is, zo heeft iemand die het Zelf wil kennen geen behoefte om het aantal categorieën te tellen of hun kenmerken te onderzoeken; wat hij moet doen is de categorieën die het Zelf verbergen geheel afwijzen. De wereld moet als een droom worden beschouwd.
22. Is er geen verschil tussen wakker zijn en dromen?
Wakker zijn duurt langer en dromen korter; behalve dit is er geen verschil. Net zoals de gebeurtenissen in de wakker-toestand reëel lijken wanneer men wakker is, zo lijken die in een droom reëel wanneer men droomt. In de droom neemt de geest een ander lichaam aan. In zowel de wakker- als de droomtoestand treden gedachten, namen en vormen tegelijkertijd op.
23. Is het nuttig om boeken te lezen voor hen die naar bevrijding verlangen?
Alle teksten zeggen dat men, om bevrijding te verkrijgen, de geest tot rust moet brengen; daarom is hun conclusie dat de geest tot rust gebracht moet worden; wanneer dit eenmaal is begrepen, is eindeloos lezen niet nodig.
Om de geest tot rust te brengen hoeft men alleen maar in zichzelf te onderzoeken wat het Zelf is; hoe kan dit onderzoek in boeken worden gedaan? Men moet het Zelf kennen met het eigen oog van wijsheid. Het Zelf is binnen de vijf omhulsels***; maar boeken zijn buiten hen. Aangezien het Zelf onderzocht moet worden door de vijf omhulsels af te werpen, is het nutteloos om het in boeken te zoeken. Er zal een tijd komen waarop men alles wat men heeft gelezen moet vergeten.
24. Wat is geluk?
Geluk is de aard zelf van het Zelf; geluk en het Zelf zijn niet verschillend. Er is geen geluk in enig object van de wereld. Wij verbeeldden ons door onze onwetendheid dat wij geluk uit objecten halen. Wanneer de geest naar buiten gaat, ervaart zij ellende. In waarheid, wanneer haar verlangen vervuld is, keert zij terug naar haar eigen plaats en geniet van het geluk dat het Zelf is.
Op dezelfde manier, in de toestanden van slaap, samadhi*** en flauwvallen, en wanneer het gewenste object wordt verkregen of het ongewenste object wordt verwijderd, wordt de geest naar binnen gekeerd en geniet van het pure Zelf-Geluk.
Zo beweegt de geest rusteloos, afwisselend uit het Zelf gaande en ernaar terugkerend. Onder de boom is de schaduw aangenaam; in de openlucht is de hitte verzengend. Een persoon die in de zon heeft rondgelopen, voelt zich koel wanneer hij de schaduw bereikt. Iemand die blijft heen en weer gaan van de schaduw naar de zon en weer terug naar de schaduw, is een dwaas. Een wijze blijft permanent in de schaduw. Op dezelfde manier verlaat de geest van hij die de waarheid kent, Brahman niet.
De geest van de onwetende, integendeel, wentelt zich in de wereld, voelt ellende, en keert voor korte tijd terug naar Brahman om geluk te ervaren.
Feitelijk is wat de wereld wordt genoemd slechts gedachte. Wanneer de wereld verdwijnt, dat wil zeggen wanneer er geen gedachte is, ervaart de geest geluk; en wanneer de wereld verschijnt, ondergaat zij ellende.
25. Wat is wijsheidsinzicht (jnana-drsti)?
Stil blijven is wat wijsheidsinzicht wordt genoemd. Stil blijven is de geest in het Zelf oplossen. Telepathie, het kennen van verleden, heden en toekomstige gebeurtenissen en helderziendheid vormen geen wijsheidsinzicht.
26. Wat is de relatie tussen verlangenloosheid en wijsheid?
Verlangenloosheid is wijsheid. De twee zijn niet verschillend; zij zijn hetzelfde. Verlangenloosheid is het zich onthouden van het richten van de geest op enig object. Wijsheid betekent dat er geen object verschijnt. Met andere woorden, niet zoeken naar wat anders is dan het Zelf is onthechting of verlangenloosheid; het Zelf niet verlaten is wijsheid.
27. Wat is het verschil tussen onderzoek en meditatie?
Onderzoek bestaat uit het vasthouden van de geest in het Zelf. Meditatie bestaat uit het ervaren dat men zelf Brahman is, zijn-weten-zaligheid.
28. Wat is bevrijding?
Onderzoeken naar de aard van het zelf dat gebonden is, en het realiseren van de ware aard, is bevrijding.
SRI RAMANARPANAM ASTU
Toelichting/Noten van Guri de Blok
Inleiding.
Sakshatkara—de directe ervaring van de uiteindelijke werkelijkheid—wordt in de Indiase spirituele tradities gezien als het resultaat van diepe, innerlijke transformatie. Hoewel het uiteindelijk een genadevolle ervaring is, zijn er klassieke paden en praktijken die de weg ernaar toe kunnen effenen.
Bij vraag 1.
* De dhatus zijn de zeven basiselementen die het lichaam opbouwen en voeden.
| Dhatu | Functie |
|---|---|
| Rasa | Voedingsweefsel (lymfe, plasma), verantwoordelijk voor voeding en hydratatie. |
| Rakta | Bloed, zorgt voor zuurstof en voedingstransport. |
| Mamsa | Spierweefsel, geeft kracht en structuur. |
| Meda | Vetweefsel, zorgt voor smering en energieopslag. |
| Asthi | Botweefsel, geeft steun en structuur. |
| Majja | Beenmerg en zenuwweefsel, voedt botten en zenuwen. |
| Shukra | Reproductief weefsel, verantwoordelijk voor voortplanting en vitaliteit. |
** In de yogische en Ayurvedische traditie worden vijf hoofdvormen van prana (levensenergie) onderscheiden:
| Prana | Locatie | Functie |
|---|---|---|
| Prana | Hart, borst | Verantwoordelijk voor inademing, het hart en de opname van energie. |
| Apana | Onderbuik | Beheerst uitademing, uitscheiding en voortplanting. |
| Samana | Navelstreek | Reguleert spijsvertering, assimilatie en balans in het lichaam. |
| Udana | Keel, hoofd | Bestuurt spraak, groei en de opwaartse beweging van energie. |
| Vyana | Heel het lichaam | Zorgt voor circulatie van energie, bloed en zenuwimpulsen door het hele lichaam. |
Vraag 3:
“Sat Chit Ananda” (सच्चिदानन्द) is een centraal concept in de Advaita Vedanta en andere Indiase filosofische tradities.
| Term | Vertaling | Betekenis |
|---|---|---|
| Sat | Zijn, Werkelijkheid | Het absolute, onveranderlijke bestaan; de eeuwige, onvernietigbare werkelijkheid achter alle verschijnselen. |
| Chit | Bewustzijn, Kennis | Zuiver bewustzijn, zonder object of subject; de kennis die alles doordringt en waarneemt. |
| Ananda | Gelukzaligheid, Vreugde | Onvoorwaardelijke, zuivere vreugde; de diepe vrede en vervulling die voortkomt uit eenheid met het absolute. |
Vraag 8
De relatie tussen Atman en Jiva is een centraal thema in de Advaita Vedanta.
| Atman | Jiva | |
|---|---|---|
| Betekenis | Het zuivere, onveranderlijke bewustzijn — de ware aard van het zelf, één met Brahman (het Absolute). | Het individuele zelf — het “ik” dat zich identificeert met lichaam, geest en ego. |
| Kenmerken | Eeuwig, ongeboren, zonder vorm, vrij van lijden en beperkingen. | Lijkt beperkt door tijd, ruimte en karma; ervaart plezier, pijn, verlangen en angst. |
| Voorbeeld | Als de oceaan — oneindig, onveranderlijk, zonder begin of einde. | Als een golf in de oceaan — lijkt afgescheiden, maar is in werkelijkheid niet anders dan de oceaan zelf. |
De Relatie:
- Eén in Wezen: Atman en Jiva zijn niet twee. De Jiva is Atman, maar verkeerd geïdentificeerd met het lichaam, de geest en de zintuigen. Dit wordt avidya (onwetendheid) genoemd.
- Illusie van Scheiding: Door maya (illusie) denkt de Jiva dat hij/zij afgescheiden is van Atman/Brahman. Dit veroorzaakt lijden en de cyclus van geboorte en dood (samsara).
- Realisatie (Sakshatkara): Wanneer de Jiva door zelfonderzoek, meditatie of genade inziet dat hij/zij in werkelijkheid Atman is, verdwijnt de illusie. Dit is moksha (bevrijding).
Vraag 12: Samadhi
In de yogische en vedantische tradities wordt samadhi beschouwd als de hoogste staat van meditatie en vereniging met het absolute bewustzijn.
| Type | Betekenis | Kenmerken |
|---|---|---|
| Savikalpa Samadhi | Samadhi met onderscheid of dualiteit. | Er is nog sprake van een waarnemer (de mediteerder) en een object van meditatie (bijv. een mantra, godheid of concept). |
| Nirvikalpa Samadhi | Samadhi zonder onderscheid of dualiteit. | Alle dualiteit verdwijnt; er is geen waarnemer en geen object meer. Het individu verenigt zich volledig met het absolute bewustzijn. |
| Sahaja Samadhi | Natuurlijke, spontane samadhi. | Een staat van constante, ononderbroken vereniging met het absolute, zelfs tijdens dagelijkse activiteiten. |
Vraag 17
In de Indiase filosofie en kosmologie worden de drie kosmische functies toegeschreven aan de drie hoofdgodheden: Brahma, Vishnu en Shiva.
| Godheid | Functie | Betekenis |
|---|---|---|
| Brahma | Schepping | Het manifesteren van het universum en alle levende wezens. |
| Vishnu | Onderhoud | Het behouden, beschermen en in stand houden van de orde (dharma) en het universum. |
| Shiva | Vernietiging/Transformatie | Het oplossen of transformeren van het universum, zodat een nieuwe cyclus kan beginnen. |
De vijfvoudige goddelijke activiteiten:
- Śṛṣṭi – Schepping
- Sthiti – Onderhoud
- Saṃhāra – Vernietiging
- Tirodhāna – Verhulling
- Anugraha – Genade
Vraag 23:
In de Indiase filosofie worden vijf omhulsels of kosha’s (कोश) onderscheiden:
| Omhulsel (Kosha) | Betekenis & Functie |
|---|---|
| Annamaya Kosha | Voedselomhulsel: De fysieke lichaamslaag, opgebouwd uit voedsel en materie. |
| Pranamaya Kosha | Energieomhulsel: De laag van levensenergie (prana), ademhaling en vitale krachten. |
| Manomaya Kosha | Geestomhulsel: De laag van gedachten, emoties en het bewuste denken. |
| Vijnanamaya Kosha | Wijsheidsomhulsel: De laag van intellect, intuïtie en hoger bewustzijn. |
| Anandamaya Kosha | Geluksomhulsel: De diepste laag, verbonden met zuivere vreugde en eenheid met het universele bewustzijn. |
Vraag 25.
Jnana Drishti (ज्ञानदृष्टि) betekent letterlijk “kennis-blik” of “wijsheids-visie” en verwijst naar het zuivere, onbevooroordeelde intellectuele inzicht.
Kernaspecten van Jnana Drishti:
- Definitie: Het is de onbezoedelde visie van een wijze die de juiste weg of de ware aard der dingen helpt inzien.
- Innerlijke Stilte: Volgens Ramana Maharshi is jnana-drsti simpelweg “stil blijven” (remaining quiet), wat inhoudt dat de geest rust in het Zelf.
- Weten vs. Zien: Het is geen helderziendheid, telepathie of het kennen van gebeurtenissen in verleden/toekomst.
Over dit boek
Wie ben ik? (Nan Yar) is een klassieke spirituele tekst en een van de belangrijkste boeken van de 20e eeuw.
Zeldzame woorden rechtstreeks van een van de grootste Meesters. “Wie ben ik” werd oorspronkelijk in 1901 in het zand geschreven door Sri Ramana Maharshi.
Dit boek wijst de weg naar een helder begrip van Zelfrealisatie en legt Zelfonderzoek, de aard van het Zelf, van de geest en de wereld uit.
Het is uniek, als een van slechts twee geschriften die rechtstreeks afkomstig zijn van Sri Ramana Maharshi’s oorspronkelijke woorden, en die hij later zelf redigeerde en zegende.
‘Zelfonderzoek is de meest directe route naar Zelfrealisatie.’
Beide geschriften ´De realiteit in 40 verzen´ en ´Wie ben ik´ zijn vertaald door Guri de Blok en in deze versie van “Wie ben ik” met toevoegingen en verklaringen van het Indiase Vedanta filosofie.




Recente reacties